De Oostermoerse venen
750 jaar turfgraven en ploegen
Op 5 november 2009 ontvangen burgemeester E. van Oosterhout van Aa en Hunze en wethouder J.D. Frieling van Tynaarlo het eerste exemplaar van het boek 750 jaar Oostermoerse venen. Van Zuidlaarderveen tot Gasselternijveen. Het boek wordt uitgegeven door de Stichting 400 jaar Veenkoloniën in samenwerking met Uitgeverij Profiel in Bedum. De presentatie vindt plaats in het kloppend hart van het gebied, café ’t Keerpunt in Spijkerboor.
Voor het eerst wordt de geschiedenis van het gehele Hunzegebied als één geheel gepresenteerd. Opvallend daarbij is de continue lijn die te herkennen is in de menselijke activiteiten in het gebied: vervening, overgaand in landbouw, is eeuwenlang het middel van bestaan voor de bewoners geweest.
Vervening en landbouw
De bewoningsgeschiedenis van het Hunzegebied is voor een groot deel bepaald door de mogelijkheden die het landschap bood. Het omgekeerde is ook waar: de mensen hebben het landschap in belangrijke mate zelf gemaakt. Vermoedelijk al in de tiende en elfde eeuw was het veen economisch gezien van enig belang. Verschillende groepen ontdekten de mogelijkheden die in de Oostermoerse venen lagen. Ingezetenen van de aangrenzende Hondsrugdorpen, kloosterlingen en investerende burgers van Groningen maakten ieder op eigen wijze gebruik van die mogelijkheden. Na 1600 verdwenen de kloosterlingen. Het stadsbestuur van Groningen had oog voor de economische mogelijkheden van de venen in de provincie Groningen en bracht hier een bloeiende veenexploitatie in grote veengedeelten op gang.
In het Oostermoer ging het veengebruik aanvankelijk op de oude en bescheiden wijze door, maar na 1600 verschenen er ook groepjes ondernemende investeerders ten tonele die grootschalige turfwinning nastreefden. De negentiende eeuw is voor de Oostermoerse venen te beschouwen als de tijd van de ontsluiting. Daarna worden de afgeveende dalgronden geschikt gemaakt voor de landbouw. De infrastructuur wordt aanmerkelijk verbeterd door de aanleg van wegen en, tegen het einde van de eeuw, tram- en spoorwegen.
De naoorlogse geschiedenis van de Oostermoerse venen wordt bepaald door de begrippen mechanisatie, herstructurering en herinrichting. De mechanisatie heeft een grote bijdrage geleverd aan de rationalisatie van de landbouw. Ondanks de sterke oriëntatie op de akkerbouw deden zich in de tweede helft van de twintigste eeuw kansen voor om nieuwe werkgelegenheid in het gebied te creëren, zoals kleinschalige industrie en toerisme. Maar de schaal van het gebied was te klein. Dankzij de miljoenen van de Herinrichting Gronings-Drentse Veenkoloniën heeft het Oostermoerse veengebied een enorme stimulans gekregen voor infrastructuur, landbouw en landschapsinrichting. De Agenda voor de Veenkoloniën gaat daarmee door.
De veenkoloniale samenleving
Een van de meest opmerkelijke aspecten van de veenkoloniale samenleving is de grote bloei van de rederijkers- en toneelverenigingen. Vanaf de vroege negentiende eeuw (met de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen) lijkt het verenigingsleven zelfs de kracht van dit gebied te zijn. Ook na de Tweede Wereldoorlog behield de samenleving in de dorpen haar eigen karakter. Het dorpshuis speelde daarin een eminente rol.
Natuurlijk komen ook de moeilijke jaren 1920-1945 in het Oostermoer aan de orde. De politieke ontwikkelingen in de jaren twintig en dertig kunnen niet los gezien worden van de economische en maatschappelijke situatie. De toestand in de Nederlandse landbouw verliep van weinig rooskleurig aan het begin van de jaren twintig tot catastrofaal in de jaren dertig. De productiecapaciteit nam in vele landen toe, de oogsten waren groot, dus de prijzen van de landbouwproducten daalden snel. De beurskrach van 1929 en de daarop volgende recessie verergerden de situatie alleen maar. Het Oostermoerse veengebied ontkwam niet aan de gevolgen van deze mondiale ontwikkelingen.
Speciale aandacht is er ook voor de gebouwde geschiedenis. Boerderijen, huizen, kerken en kanalen bepalen het beeld van de Oostermoerse veenkoloniën, maar zij staan er niet zomaar. Zij zijn het resultaat van een geschiedenis, waarin dorpsbebouwing gekoppeld was aan de ruimtelijke structuur. De tegenwoordige bebouwing stamt grotendeels uit de negentiende en twintigste eeuw, waarbij gebouwen met kenmerken van verschillende bouwstijlen zich moeiteloos aaneenvoegen langs het lint. De variatie in gebouwtypen en in vormen, materialen en decoraties, gevoegd bij de deels nog aanwezige begroeiing langs de kanalen, roepen een levendig beeld op waarbij de tegenwoordige tijd en de historie moeiteloos naast elkaar aanschuiven.
Stichting 400 jaar Veenkoloniën
Om de bijzondere en opmerkelijke geschiedenis van de Gronings-Drentse Veenkoloniën voor de toekomst te bewaren en de inwoners bewust te maken van hun unieke leefomgeving werd in 1997 de Stichting 400 jaar Veenkoloniën opgericht. De stichting maakt zich sterk voor een verantwoorde geschiedschrijving en probeert de herinnering aan de veenkoloniale tijd voor toekomstige generaties te behouden. De Stichting wordt gesteund door alle Veenkoloniale gemeenten.
Zo krijgt elke participerende gemeente haar eigen monografie, waarin de geschiedenis van de gemeente op een aantrekkelijke en verantwoorde wijze wordt beschreven. In 2003 verscheen de eerste, 375 jaar Hoogezand en Sappemeer, in 2005 de tweede, getiteld 200 jaar Veenkoloniën van Borger en Odoorn, en de derde, 350 jaar Veendam en Wildervank en in 2006 het vierde deel, 400 jaar Pekela. Dit deel over de geschiedenis van de Oostermoerse venen, gelegen in de huidige gemeenten Tynaarlo en Aa en Hunze, is het vijfde in de reeks en aan het eind van 2009 zal nog verschijnen het zesde deel: 250 jaar Stadskanaal. Van Bareveld tot Barnflair.
De laatste monografie, over de Emmer venen, zal hopelijk in 2011 uitkomen, evenals het afsluitende overzichtswerk over het gehele gebied van de Gronings-Drentse Veenkoloniën. |