Voorwoord [5]
Inleiding [7]
Anton Bartelds: ‘Het was kantje boord’ [22]
De polder van Meeden en Muntendam [27]
Jan van der Veen: ‘Het was toch wel griezelig’ [48]
Tusschenwegen en Zuiderwuppen: het zuiderveen van Winschoten [51]
Jan Kloosterhuis: ‘Als dat in hun straatje past, kunnen overheden vlot werken’ [71]
Van Huningameer naar de Blauwe Stad [73]
Gerard Beukema: ‘Ik heb een bestuurlijk risico genomen’ [94]
Meerstad: de polders van Harkstede, Lageland en Scharmer [97]
Hans en Lenie Wibiër: ‘Jullie bestaan niet’ [126]
De polders aan de oostkant van het Drentsche Diep [129]
Michel Krol: ‘We moeten scoren tegenwoordig’ [149]
Het westelijke Hunzedal: de Onner- en de Oostpolder [155]
Mans Vos: ‘Ik behoor tot een uitstervend ras’ [180]
Oosterland en Lappenvoort: kleine polders langs de Drentsche Aa [183]
John Klip: ‘Je moest wel kunnen zwemmen met al dat water rond het huis’ [202]
Wedder- en Hoornder Meden [205]
Bert Veeman: ‘We hebben het uitgevochten tot aan de Raad van State’ [228]
Dijkgraaf Alfred van Hall: ‘Van zekerheden naar risico’s’ [232]
Bronnen en literatuur [235] |