Het Groningerland is in de vroege Middeleeuwen een kustlandschap waar de zee nog vrij spel heeft. Grote delen van het gebied zijn bedekt met een laag veen en vanuit het binnenland – het Drents Plateau – stromen allerlei rivieren en beekjes naar de zee. Om zichzelf en het vee te beschermen tegen het wassende water hebben de noordelijke bewoners (boeren) wierden opgeworpen.
Rond het jaar 1000 verandert dit landschap geleidelijk door ingrepen van de mens. De eerste dijken worden aangelegd, die de bewoners veel beter dan voorheen tegen hoog water en stormvloeden beschermen. Bovendien wordt een begin gemaakt met het afgraven van het veen, hetgeen weer nieuwe problemen veroorzaakt. De afgegraven grond kan weliswaar worden gebruikt als weidegrond, maar de ontginningen gaan gepaard met maaivelddaling, die een aantal streken kwetsbaar maakt voor wateroverlast. Het laagste deel van de provincie ligt ten oosten van de stad Groningen.
Na 1750 wordt de strijd tegen het water rond de stad Groningen en het oosten van de provincie ingezet. Overal wordt naar mogelijkheden gezocht om weideland permanent om te zetten in bouwland waardoor de akkerbouw kan floreren. Bovendien willen de boeren te natte madelanden droger maken om ze voor een langere periode te gebruiken als hooi- en weilanden. Voor het eerst worden nu op grote schaal watermolens gebouwd om de drassige gronden te bemalen. In de opgerichte molenpolders gebeurt dat met succes.
Deze molenpolders zijn de voorlopers van de plaatselijke waterschappen die na de vaststelling van een grondreglement voor de waterschappen in 1852 op vele plaatsen in de provincie worden opgericht. In het algemeen geldt in Groningen de regel dat hoe groter de polders, hoe succesvoller de bemaling. Grote polders kunnen overgaan van windmolens naar stoomgemalen en later naar diesel- en elektrische gemalen. Kleinere polders met minder ingelanden moeten zich behelpen met de windmolens. Poldertjes die benedenstrooms langs rivieren en beken liggen worden pas in de twintigste eeuw een stuk droger. De ruilverkavelingen vanaf de jaren vijftig van die eeuw maken van het meeste boerenland hoogwaardig productieland. Tezelfdertijd weet de milieubeweging het publiek ervan te overtuigen dat de natuur beter beschermd moet worden en dat er zelfs nieuwe natuurgebieden moeten worden aangelegd. Vanaf de jaren tachtig van de twintigste eeuw wordt dan ook een aantal polders (die de afgelopen tweehonderd jaar met veel moeite door de boeren drooggemaakt waren) daarvoor geschikt gemaakt. In Groningen gaat het daarbij vooral om natte natuur, de Natte Assen.
In dit boek wordt op originele wijze aandacht geschonken aan de voortdurende inspanningen van de mens in zijn ruimtelijke omgeving. Dat beeld van die bouwende en herscheppende mens krijgt gestalte, mede door gesprekken met betrokkenen. Zo wordt de geschiedenis van land en water tegelijk het verhaal van mensen door de eeuwen heen. Overleven in een dynamische delta aan zee is mensenwerk. Groningen biedt daarvan vele voorbeelden. Moge de lezer geboeid raken door wat dit prachtige boek aanreikt.
Alfred van Hall,
dijkgraaf |