Alles over Groningen? Groningen, gids voor cultuur en landschapnaar profiel.nl
200 jaar Veenkoloniën van Borger en Odoorn
Inleiding

Oorlog en turf. De geschiedenis van de Veenkoloniën leert dat er een rechtstreeks verband tussen beide begrippen is. In het begin van de negentiende eeuw was Nederland bezet door de Napoleontische legers en
zorgde een economische blokkade van Groot-Brittannië voor een verslechterende economie. Een kans boden de venen in het grote Bourtanger veengebied. De turfwinning immers creëerde als het ware goud uit bruine grond.
Om tot turfgraving in de venen over te kunnen gaan moest wel de grens tussen Drenthe en Groningen afgebakend worden. Twee eeuwen eerder had landmeter Johan Sems al eens een naar het zuidoosten aflopende, kaarsrechte grens tussen de beide gewesten getekend, maar deze werd niet door alle partijen erkend. Met name de stad Groningen was van oordeel dat de grens meer in westelijke richting moest worden getrokken. De Drenten hadden zich lange tijd verdedigd tegen de in hun ogen agressieve politiek van de stadstaat Groningen. Eind achttiende eeuw moesten zij echter erkennen dat een eventuele afvoer van de Drentse turf alleen gerealiseerd kon worden als deze plaats zou vinden langs een kanaal aan de Groninger kant van de grens, het Stadskanaal. In 1800 werd een eerste overeenkomst getekend tussen de stad Groningen en de Negen Veenmarken van Drenthe, de rechthebbenden van het Drentse veengebied.
Onder druk van de omstandigheden - bezetting door de Fransen, onderlinge tegenwerking en onenigheid
- werd dit convenant niet onmiddellijk nageleefd. Toen de Fransen in 1815 bij Waterloo definitief waren
verslagen, werd de kwestie weer actueel. De nieuwe koning, Willem I, wilde niet alleen dat de gewesten voortaan nationaal zouden leren denken, hij wilde vooral ook dat in het nieuwe koninkrijk de economie een impuls zou krijgen. Op zijn aandringen werd in 1817 het Convenant door de betrokken partijen getekend. Een snelle vervening van Oostermoer en Zuidenveld zou daarmee mogelijk worden. De grens tussen de provincies Groningen en Drenthe werd bepaald en de verantwoordelijkheden van Stad en veenmarken gepreciseerd. De veenmarken moesten zelf aangeven hoe zij deze vervening en de vorming van nieuwe veenkolonies wilden opzetten. De uitvoering van het Convenant van 1817 betekende dat de geschiedenis van de Drentse veenkoloniën van het Oostermoer en het Zuidenveld definitief was begonnen.
Nog voordat de toekomstige veengebieden waren ontwaterd, zorgde de vondst van de veenbrug bij Valthe ervoor dat ook het verleden van het veengebied in de belangstelling kwam te staan. Het Bourtanger Moeras was op de kaart gezet en vanuit geheel Nederland kwamen geletterde heren op dit fenomeen af. De wetenschap stond nog in de kinderschoenen en er werd vrijelijk geassocieerd en gefantaseerd over ouderdom en betekenis van de veenbrug of veenweg. De fantasie werd nog meer geprikkeld door de discussie over de stad Hunsow, waarvan in het begin van de negentiende eeuw de resten bij Exloo zouden zijn gevonden. Deze legendarische stad op de Hondsrug tussen Valthe en Odoorn zou in het jaar 808 door de Noormannen verwoest zijn. In feite was het verhaal in 1660 door Johan Picardt voor de eerste maal opgedist, maar de fameuze Podagristen die in 1843 door oostelijk Drenthe trokken, meenden zelfs nog het stratenpatroon van Hunsow te ontwaren. Pas na onderzoekingen van de archeoloog A.E. van Giffen in het begin van de twintigste eeuw werd de mythe van de stad definitief ontmaskerd.

Oorlog en turf hadden ook aan het begin van de twintigste eeuw een relatie. De schaarste aan brandstoffen tijdens de Eerste Wereldoorlog zorgde voor een geweldige opbloei van de turfgraverij. De lonen en opbrengsten stegen tot ongekende hoogte. Maar de vreugde was maar kort. Nauwelijks was de oorlog voorbij, of de steenkool werd weer aangevoerd en de turf was niet meer nodig. Gelukkig was de vervening in de Drentse gemeenten Borger en Odoorn toen al grotendeels voltooid. De verveners waren zuidwaarts getrokken, naar de immense veengebieden in Zuidoost-Drenthe. De afgeturfde veencomplexen waren dalgronden geworden, die vanaf 1880 en vooral na 1900 in bloeiende landbouwgronden werden
veranderd. Het rechthoekige verkavelingspatroon, al in het Convenant van 1817 vastgelegd, had geleid tot een serie monden naar het Stadskanaal. Langs deze monden ontstonden grote en kleinere dorpen als Drouwenermond, Nieuw-Buinen, 1e en 2e Exloërmond en Valthermond. Dit boek behandelt de geschiedenis van het veengebied van Borger en Odoorn in zeven hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk behandelt prof.dr. H.Tjalling Water-bolk landschap en archeologie van veenkoloniaal Borger en Odoorn. De daaropvolgende zes hoofdstukken zijn van de hand van dr. Gerben de Vries, die de ontwikkelingen vanaf ongeveer 1800 weergeven. Eerst schetst hij de planning en de ruimtelijke invulling van het voorheen lege gebied van de Drentse veenkoloniën. Daarna worden de economische kernactiviteiten behandeld, de vervening en de glasindustrie. Deze zorgden voor het ontstaan van nederzettingen, die hun eigen karakter kregen. Door de eenzijdige economische activiteiten werden de Drents-Groningse veenkoloniën in de twintigste eeuw een probleemgebied en daarover gaat hoofdstuk zes. In het laatste hoofdstuk tenslotte wordt het imago van deze streek geanalyseerd. Rode draad door het verhaal is het werken in de veenkoloniën van Borger en Odoorn.
De fotoredactie was in handen van Jacco Pranger die voor de selectie van het beeldmateriaal voor het grootste deel uit zijn eigen collectie kon putten.
Deze site is ontwikkeld door printmedia