Inleiding
De Veenkoloniën zijn in het Bourtanger Moor ontstaan. Zo heette het enorme veencomplex dat zich tussen de kleigronden van de Dollard in het noorden, het dal van de Hunze in het westen, de Overijsselse Vecht in het zuiden tot over de Duitse grens in het oosten uitstrekte. Op het zand, aan de randen, lagen de dorpen. 's Morgens waagde de scheper zich met zijn schapen in het eindeloze onland en 's avonds bracht hij ze naar de schaapskooi of boerderijen terug. Hij moest terdege oppassen dat er in de natste gedeelten geen ongelukken gebeurden. Zijn hond was er op afgericht. Geen wonder dat grote delen van het moerassige land voor het grazen van koeien onbruikbaar waren. Voor akkerbouw was de wilde, woeste, ledige grond eigenlijk ongeschikt. De teelt van boekweit was een uitzondering. De bovenlaag werd dan afgebrand, waardoor het zaad in de as kon worden gezaaid. De boekweitbranders waren niet alleen boerenpioniers maar ook de eerste turfgravers. Zij knabbelden als het ware aan het veen.
Na 1600 werd het menens. Verveners staken toen kapitaal in grote ondernemingen: de veencompagnieën. Een waar leger van veenarbeiders bracht de turf aan snee. Zij herschiepen de wildernis in een overzichtelijk, plat landschap, zo ver het oog reikte. Allerlei namen herinneren aan hen. In Wildervank (en Veendam) was Adriaan Geertsz. Wildervanck de belangrijkste ontginner. Tripscompagnie dankt zijn naam aan de compagnie, waarin Adriaan Trip de hoofdrol speelde. Een compagnie van 'borgeren' uit de stad Groningen stichtte Borgercompagnie. In Ommelanderwijk hoopte een aantal Ommelander heren door vervening rijk te worden. Uit de naam Stadskanaal valt af te leiden dat 'Stad' er de baas was. Om nog maar te zwijgen van al die veenkoloniën, die met veen, mond of wijk aan hun afkomst herinneren. Wat te denken van Wildervanksterdallen! Een naam die klinkt als muziek van Mozart, maar die enkel aanduidt dat de kolonie op afgeturfd land (dalgrond) is ontstaan.
In de loop der jaren trok de turfwinning veenarbeiders om 'het bruine goud' te steken, schippers om het te vervoeren en boeren om het uitgeveende land te bewerken. Ook handel en nijverheid ontwikkelden zich. Het eens zo onherbergzame land werd welvarend. Het leven was er overigens hard. Zwoegen in de veenput, oogsten en misoogsten, ontberingen op zee en vele ziekten die ook de Veenkolonialen niet oversloegen. De één verdiende gouden bergen, de ander moest zwoegen voor een brood op de plank. Maar de wil om het avontuur in te gaan en het doorzettingsvermogen van de Veenkolonialen maakten van de Gronings-Drentse moerassen toch een leefbaar gebied.
Om deze bijzondere en opmerkelijke geschiedenis van de Veenkoloniën voor de toekomst te bewaren en de inwoners bewust te maken van hun unieke leefomgeving werd in 1997 de 'Stichting 400 jaar Veenkoloniën' opgericht. De stichting maakt zich sterk voor een verantwoorde geschiedschrijving en probeert de herinnering aan de veenkoloniale tijd voor toekomstige generaties te behouden. De Stichting wordt gesteund door alle Veenkoloniale gemeenten. Vanaf 2003 krijgt elke participerende gemeente haar eigen monografie, waarin de geschiedenis van de gemeente op een aantrekkelijke en verantwoorde wijze wordt beschreven. Vanzelfsprekend zijn in elke Veenkoloniale gemeente in de loop der jaren boeken verschenen waarin aspecten van de eigen geschiedenis beschreven zijn. De opzet van onze stichting is nu, aan het begin van de 21e eeuw, een actueel overzichtswerk te maken, zodat het gehele veenkoloniale gebied op dezelfde wijze beschreven en in beeld gebracht wordt. De waarde voor elke participerende gemeente is dat er een makkelijk toegankelijk boek over de geschiedenis van de eigen gemeente is, waarin alle aspecten aan de orde komen: bestuur, ruimtelijke en economische ontwikkeling, religie, onderwijs, cultuur, landbouw enz. De meerwaarde is dat op deze wijze elke gemeente wordt bezien als onderdeel van het Gronings-Drentse veenkoloniale gebied, door zijn omvang en ontwikkeling uniek in Europa.
In 2003 verscheen de eerste, 375 jaar Hoogezand en Sappemeer, en in 2005 de tweede, getiteld 200 jaar Veenkoloniën van Borger en Odoorn. Dit deel over de geschiedenis van Veendam en Wildervank is het derde in de reeks.
Het boek 350 jaar Veendam en Wildervank beschrijft de geschiedenis van het gebied dat vaak als het hart van de Gronings-Drentse Veenkoloniën wordt beschouwd. Halverwege de zeventiende eeuw begon de vervening hier vanuit Muntendam. Al na enkele tientallen jaren groeiden en bloeiden hier twee veenkoloniale nederzettingen: Veendam en Wildervank, en een aantal kleinere koloniën.
Het begin van Veendam en Wildervank is niet aan één moment te verbinden. De vroegste vermeldingen van de Veenkoloniën die nu de gemeente Veendam vormen, zijn:
Borgercompagnie en Wildervank 1647
Tripscompagnie 1648
Zuidwending 1649
Ommelanderwijk 1653
Veendam 1655
De herdenking van ‘Veendam 350’ is een uitgelezen kans de geschiedschrijving van de gemeente te presenteren. In zes hoofdstukken wordt de historie geschilderd, van de vroegste tijden tot de dag van vandaag.
In hoofdstuk 1, ‘Jagers en veenpioniers (10.000 voor Chr.-1650)’, staat de geschiedenis van het grondgebied van de gemeente Veendam centraal. In de prehistorie woonden er al mensen, maar de veenvorming maakte het leven er lange tijd onmogelijk. In de late Middeleeuwen werd er vee geweid. De Oude Ae en de Oude Veendijk vormden de levensaders voor de pioniers van het veengebied.
De zeventiende en achttiende eeuw vormden de jaren van de veenontginning. Dit staat centraal in hoofdstuk 2, ‘Aan snee en toegemaakt (1650-1798)’. De afvoer van de turf bracht een grote veenkoloniale vloot onder zeil, waarvan de smakken en de koffen tot in Scandinavië en de Oostzee kwamen. De dalgronden werden toegemaakt en veenkoloniale boeren probeerden een bestaan te vinden op de nieuwe landbouwgronden.
Hoofdstuk 3 is getiteld ‘Schippers, boeren en neringdoenden, 1798-1870’ en behandelt het grootste deel van de negentiende eeuw. Kenmerkend voor die eeuw is de doorbraak van de aardappel. De boer in Veendam en Wildervank werd akkerbouwer. De zeevaart kwam tot grote bloei, hetgeen bevestigd wordt in de stichting van een zeevaartschool in Veendam. Ook de met de scheepvaart verwante bedrijven als de houthandels, de touwslagerijen, de blok- en zeilmakerijen floreerden. Toen na 1860 aardappelmeelfabrieken gesticht werden, duurde het niet lang of Veendam en Wildervank kregen het aanzien van plattelandsgemeentes, waar behalve voor boeren en landarbeiders werk was voor schippers en werklieden van allerlei slag.
Hoofdstuk 4 ‘Bloeiende koloniën, 1870-1920’ laat zien hoe de toepassing van kunstmest, aardappelveredeling, mechanisatie en onderwijs van Veendam en Wildervank het centrum van de Veenkoloniën maakten. Ondernemersfamilies, zoals Meihuizen, Scholten, Wilkens, Duintjer en Van Linge, stapten in de aardappelmeelindustrie en richtten zelfstandig of samen fabriek na fabriek op. De keerzijde was de groeiende ontevredenheid bij de arbeiders over de arbeidsomstandigheden. Veendam deed pogingen om een stad te worden door een groots uitbreidingsplan ‘tussen baide daipen’.
Hoofdstuk 5 heet ‘Stagnatie, oorlog en opbouw, 1920-1969’. Zowel het politieke als het economische leven kenden vele ups en downs in deze periode. Crisistijd en oorlog drukten hun stempel. Vooral na de Tweede Wereldoorlog kreeg de schaalvergroting vat op de bedrijven in landbouw en industrie. Met name Veendam ontwikkelde zich stedenbouwkundig met uitbreidingsplannen als Plan Zuid en Noord en Sorghvliet.
Het laatste hoofdstuk 6 ‘Veenkolonie in verandering, 1969-2005’ gaat over Veendam en Wildervank in de moderne tijd en vanaf 1969 in één gemeente verenigd. Ruilverkavelingen in de landbouw, herstructurering in het bedrijfsleven en deconcentratie van rijksdiensten hadden ook hun weerslag op de Veenkoloniën. Het karakteristieke veenkoloniale landschap ging voor een deel verloren, maar in de loop der jaren werd de waarde ervan ingezien. In Ommelanderwijk en Zuidwending werden de diepen gedempt, in Veendam en Borgercompagnie voor een deel. Wildervank bleef een lang lint.
Dit boek heeft geen register op namen of trefwoorden. De redactie heeft besloten in het laatste, samenvattende deel een register op de gehele reeks op te nemen.
Redactie |